Justinus Cornelis Voorduin (1865 - 1936)
1868–1936
Bekijk Justinus Cornelis Voorduin (1865 - 1936) in de spiraal tussen 8.415 bekende Nederlanders- Overleden
- 7 juni 1936
- Geboren
- 1868
- Bekend als
- wetenschapper
Justinus Cornelis Voorduin ('s-Gravenhage, 15 februari 1865 - Wassenaar, 7 juni 1936) was een Nederlands waterbouwkundige die een groot deel van zijn leven in Nederlands-Indië gewerkt heeft. Hij was de zoon van Willem Leonard Voorduin, commies bij de provinciale griffie van Zuid-Holland en Johanna Balthazarina baronesse Van Heemstra. In 1875 is zijn vader benoemd als griffier te Bandoeng in Nederlands-Indië. In 1878 was hij lid van de weeskamer van Batavia en kreeg toen twee jaar ziekteverlof. Zijn vader overleed in 1880 in Hyères. Justinus was toen 15 jaar. Hij stamt uit het adellijke geslacht Voorduin. Hij was de kleinzoon van de rechtsgeleerde Justinus Cornelis Voorduin (1799-1878). In 1886 behaalde hij het overgangsdiploma B van de Polytechnische School te Delft. In 1888 was hij praktikant bij de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland. In juni 1888 is hij geslaagd voor het examen civiel ingenieur. In juni 1890 is hij benoemd tot als aspirant-ingenieur in Nederlands-Indië (bij Burgerlijke en Openbare Werken, BOW). Daarna is hij in Maassluis op 3 september 1890 gehuwd met Jacoba Cornelia van der Lelij. Na aankomst in Indië is hij tewerkgesteld bij de verbetering van de waterafvoer van de Sungai Sampan (Situbondo, Oost-Java). In februari 1892 is hij benoemd tot ingenieur 3e klasse en in mei 1984 tot ingenieur 2e klasse. In mei 1899 wordt hij overgeplaatst naar Batavia. In maart 1901 krijg hij een jaar verlof om naar Nederland te gaan, en in mei gaat hij met vrouw en vier kinderen per ss Sindoro naar Nederland en in april 1902 komt hij weer terug met ss Ardjoeno. Zijn vrouw met twee kinderen komen terug met ss Willem II in oktober van 1902. Ir. Voorduin was vanaf 1888 lid van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs; in het Tijdschrift van het KIvI verscheen van zijn hand in 1914 een uitvoerige studie over de irrigatiewerken op Java. In 1920 (8-15 mei) nam hij deel aan het Algemeen Ingenieurscongres in Batavia. Hij presenteerde daar De constructie der prise d'eau van irrigatieleidingen in verband met de beperking der opzanding van het hoofdkanaal. Na terugkeer werd zijn standplaats Batavia, hij werd daar in 1899 penningmeester van de afd. Nederlands-Indië van het KIvI. Binnen BOW is hij dan fungerend inspecteur voor de buitenbezittingen, daarvoor gaat hij o.a. in 1910 naar Palembang. In 1912 wordt hij hoofdingenieur 2e klasse. In november van dat jaar zit diensttijd bij BOW erop en gaat terug naar Nederland. In april 1920 is hij benoemd tot directeur van het Rijkskantoor voor Steen als opvolger van ir. W. Elenbaas. Bovendien werd hij benoemd als beherend directeur van de N.V. Ingenieurs Maatschap “Eigen-Beheer”. Terug in Nederland krijgt hij opdracht om de beschrijving van de irrigatiewerken op Java te maken (die opdracht was eerst aan ir. Lamminga gegeven, maar die had daar uiteindelijk toch geen tijd voor). Die beschrijving is in 1914 gepubliceerd in het Tijdschrift van het KIvI.
Tekst en foto afkomstig van nl.wikipedia.org — Public domain — Unknown authorUnknown author